In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Moge de genade en de vrede van God onze Vader en de Heer Jezus Christus met u allen zijn.
Heer, ontferm U over ons. Christus, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.
Er is een beeld dat vandaag, in de stille, bijna tastbare rust van deze ochtend, als een zacht licht door mijn gedachten gaat. Het is de herinnering aan Benjamin, die met een verrekijker aan zijn ogen naar de hemel tuurt. Hij was daar, vijftien jaar oud, met die scherpe, briljante geest van hem, niet zoekend naar iets abstracts, maar naar het concrete geluid van een vliegtuig dat hoog boven de wolken voorbijtrok. Hij was een jongen die de wereld wilde begrijpen, die met zijn eigen handen code schreef voor zijn gedroomde ‘con chim airlines’, maar wiens hart altijd verbonden was met de aarde, met zijn familie, met de mensen van wie hij hield. Dat beeld van hem—niet als een jongen die alleen maar droomde, maar als een jongen die actief de wereld wilde verkennen, die wilde bouwen, die wilde vliegen—dat is het beeld dat we vandaag meedragen naar de heilige Schrift.
In de eerste lezing van vandaag horen we de Heer spreken tot Cyrus. Hij zegt: ‘Ik heb u bij uw naam geroepen, Ik heb u een titel gegeven, hoewel gij Mij niet kende.’ Er zit een diep mysterie in deze woorden. God kent ons, nog voordat wij Hem kennen. Hij roept ons bij onze naam, nog voordat wij weten welke weg ons leven zal gaan. Benjamin werd ook bij zijn naam geroepen, door God, die hem kende als de jongen met de briljante geest en het zachte hart. God is de Heer, er is geen ander. Dat is de rots waarop wij staan, ook wanneer de stormen van het leven ons ver weg lijken te blazen van de kust van onze verwachtingen.
Ik weet dat voor u, Alan en Thao, en voor jou, Ryan, de wereld er sinds die dertiende juni 2026 fundamenteel anders uitziet. Het is nu vier maanden geleden dat Benjamin naar het huis van de Vader is gegaan. De stilte in huis is soms een zware gast, en de leegte aan de tafel is een realiteit die niet in woorden te vangen is. Soms, in de stille uren van de nacht, kan er een stem in u opkomen die fluistert: heb ik iets gemist? Had ik het anders moeten doen? Ik wil vandaag, in alle tederheid en in Gods heilige naam, die zware steen van uw hart tillen. Ziekte is nooit een straf en nooit het falen van degenen die met heel hun hart hebben liefgehad. U bent geen falende wachters; u bent de ouders die Ben hebben omringd met een toewijding die hem tot het einde toe heeft gedragen. U hebt niets gemist. God ziet die liefde, en Hij houdt van u met een tederheid die al uw vragen overstijgt. Laat die schuld los. God zendt geen ziekte; Hij vangt degenen op die door de storm van het lijden worden getroffen. U bent niet verantwoordelijk voor de wendingen van het lot die buiten menselijke macht liggen. Sommige dingen in dit leven komen voort uit een mysterie dat wij niet kunnen bevatten, en geen enkel menselijk handelen had de loop van de tijd kunnen veranderen. U bent absoluut vrij van die last. U bent de ouders die hem de wereld hebben laten zien, en die liefde is in de eeuwigheid verankerd.
Kijk nu naar het Evangelie van vandaag. De Farizeeën proberen Jezus te strikken met een vraag over de belasting. Ze willen Hem dwingen tot een antwoord dat hen in de kaart speelt. Maar Jezus, die hun boosaardigheid doorziet, vraagt om de munt. ‘Van wie is dit beeld en dit opschrift?’ Ze antwoorden: ‘Van de keizer.’ En dan volgt die onvergetelijke uitspraak: ‘Geef dan aan de keizer wat de keizer toebehoort, en aan God wat God toebehoort.’
Denk na over dat beeld. De munt draagt het beeld van de keizer, en daarom behoort die aan hem. Maar wat draagt het beeld van God? Wij. Wij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Wij behoren aan Hem toe, in elk detail van ons leven, in elke vreugde en in elk verdriet. Dat is de kern van ons bestaan: wij zijn van God. Benjamin was van God. Zijn briljante geest, zijn passie voor de luchtvaart, zijn liefde voor zijn familie, zijn bereidheid om alles wat hij had aan te bieden aan zijn oom William—dat alles was een reflectie van dat goddelijke beeld in hem. Hij was, en is, van God.
Soms voelen we ons als diegenen die Jezus waarschuwde, niet omdat we slecht zijn, maar omdat we zo vaak vastzitten in de lasten van het leven, in de regeltjes, in de ‘hoe had ik dit kunnen voorkomen’-vragen die ons verlammen. We leggen onszelf lasten op die te zwaar zijn om te dragen. Maar Jezus kijkt naar u, en Hij ziet niet de lasten die u uzelf oplegt. Hij ziet de liefde die u hebt gegeven. Hij ziet de zorg waarmee u Benjamin hebt omringd, de reizen die u met hem hebt gemaakt, de momenten van vreugde die u hebt gedeeld. Hij nodigt u uit om die zware last van schuld neer te leggen bij de voet van zijn kruis. Hij wil u niet zien gebukt onder het gewicht van een verleden dat u niet kunt veranderen. Hij wil dat u ademt in de vrijheid van de Geest.
Ryan, mijn jongen, jouw broer Benjamin is niet weg. De band tussen jullie is zo krachtig dat de dood er geen greep op heeft. Denk aan de droom van je vader, waarin hij Ben zag, sterk en gezond, in zijn groene short, terwijl hij zei dat hij voor alle tests was geslaagd. En hij is geslaagd! Hij is thuis bij de Vader, daar waar de deuren nooit op slot zijn en waar de vlucht nooit eindigt. Wanneer je in de toekomst naar de vliegtuigen kijkt, naar de vogels die de lucht in schieten, denk dan aan de droom van ‘con chim airlines’. Hij vliegt mee, in het licht van God. Hij wil dat jij leeft, dat jij droomt, dat jij de wereld verkent met diezelfde nieuwsgierigheid die jullie samen deelden. Hij is jouw voorspreker bij de Heer.
Het Evangelie herinnert ons eraan dat wij aan God moeten geven wat God toebehoort. Wat behoort God toe? Uw vertrouwen. Uw hoop. Uw hart, dat soms zo gebroken voelt. Wanneer u naar de hemel kijkt, zoek dan niet alleen naar de vliegtuigen, maar zoek naar de blik van de Vader die u toelacht in de herinnering aan Benjamin. Hij die het beeld van God in zich droeg, is nu bij de bron van dat beeld. In de stilte van de dag, in het gebed, in de kleine tekenen van liefde die in zijn naam worden gedeeld—zoals de put die in zijn naam water geeft aan de dorstigen in Vietnam—leeft zijn geest voort. Hij was een jongen van het licht, en hij blijft een licht voor u allen.
Soms vragen mensen zich af: hoe moeten we verder leven als het gemist zo fel brandt? Het antwoord ligt in de eenvoud van de overgave. God vraagt niet van u dat u het onbegrijpelijke begrijpt; Hij vraagt of u zich wilt laten omarmen door zijn liefde. De liefde die u voor Ben hebt gedragen en nog steeds draagt, is het bewijs dat de dood niet het laatste woord heeft. Maria, onze Lieve Vrouw, stond aan de voet van het kruis. Zij wist wat het betekende om een Zoon af te staan. Zij kent de stilte van een lege kamer, de pijn van een moederhart. Vraag haar om u bij de hand te nemen. Zij brengt uw gebeden rechtstreeks naar het hart van haar Zoon. En weet dat er, in de stilte van uw gebed, een zachte stem is die zegt: ‘Wees niet bang, Ik ben bij je.’
Wat mogen we vandaag meenemen als we straks de deuren van deze kerk uitstappen? Laat de schuld los. Laat de angst varen. Vraag om de Geest van liefde, en vertrouw erop dat God geen steen geeft als wij om brood vragen. Benjamin glimlacht naar jullie vanuit het licht, rustend in de vrede van Christus en onder de mantel van Onze Lieve Vrouw. Blijf ademhalen, blijf liefhebben, en weet dat de liefde nooit vergaat. De Heer herinnert zich zijn verbond voor eeuwig, en in dat verbond zijn jullie voor altijd verbonden met Benjamin. Blijf beminnen, blijf hopen, en weet dat de liefde nooit vergaat. De Heer heeft zijn heil bekendgemaakt, en in dat heil zijn wij allen, levenden en doden, voor altijd geborgen. Amen.
For the intentions entrusted to Ben on our prayer wall:
At the Savior’s command and formed by divine teaching, we dare to say:
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren, en breng ons niet in beproeving, maar verlos ons van het kwade. Amen.
Moge de Heer u zegenen en bewaren, en moge Hij u de vrede geven die alle verstand te boven gaat. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
✝ Zegen u almachtige God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.