In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen. Genade voor u en vrede van God onze Vader en de Heer Jezus Christus.
Heer, die ons roept om met een nederig hart te leven, ontferm U over ons. Christus, die de kleinsten verheft en de dienenden kroont, ontferm U over ons. Heer, die ons uw heerlijkheid laat zien door de geopende poort, ontferm U over ons.
Er is een bijzonder geluid dat bij de vroege ochtend hoort.
Als de zon nog maar net als een dunne gouden streep boven de horizon uitkomt, en de nacht de wijk neemt.
Als je buiten staat, vlak bij de omheining van een vliegveld, of op een hoge plek waar het zicht vrij is naar het oosten, dan hoor je het.
Het is het lage, diepe gebrul van een straalmotor die optoert voor de start.
Een geluid dat trilt in je borstkas.
Het klinkt als het ruisen van een machtige rivier, als een golvenzee die aanspoelt.
En wanneer dat grote metalen vliegtuig de remmen loslaat en zich losmaakt van de landingsbaan, klimt het omhoog, recht tegen de opkomende zon in.
Het glanst in het eerste licht.
Een jongen staat bij het hek, zijn ogen wijd open, een vrolijke lach op zijn gezicht, de blik strak gericht op de oostelijke hemel.
Hij kijkt het vliegtuig na totdat het slechts een klein glinsterend stipje is geworden in het oneindige blauw.
In de lezing uit de profeet Ezechiël horen we vandaag precies over dat oosten en over dat machtige geluid.
Ezechiël wordt door een engel meegevoerd naar de poort van de tempel, de poort die uitziet op het oosten.
En wat ziet hij daar?
Hij ziet de heerlijkheid van de God van Israël komen uit het oosten.
'Ik hoorde een geluid als het ruisen van machtige wateren,' schrijft de profeet, 'en de aarde straalde van zijn heerlijkheid.'
Probeer het u voor te stellen.
De tempel in Jeruzalem had zware, steenrode houten deuren.
Jarenlang was het stil geweest.
De heerlijkheid leek verdwenen, de mensen woonden in ballingschap, hun harten waren moe en verdrietig.
Maar nu gaat de Oostpoort wijd open.
Geen menselijk geweld duwt die poort open; het is de Geest van God die erdoorheen stroomt.
De heerlijkheid treedt binnen, niet als een vluchtige schaduw, maar als een vulling die elke hoek, elke steen, elke nis van het heiligdom omvat.
'Het huis was vol van de heerlijkheid van de Heer,' zegt Ezechiël.
En God spreekt vanaf de drempel: 'Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon, dit is de plek waar Ik mijn voetzolen zal neergzetten; hier zal Ik wonen midden onder de kinderen van Israël, voor altijd.'
Een poort die opengaat naar het oosten.
Licht dat binnenstroomt.
Een Stem die zegt: hier blijf Ik wonen.
Maar hoe moeilijk is het om te geloven in geopende poorten als je eigen huis zo stil is geworden?
Hoe moeilijk is het om de heerlijkheid van God te zien als de muren van je eigen kamer aanvoelen als een schuilplaats voor verdriet?
Het is vandaag 22 augustus.
Het is ruim twee maanden geleden — sinds die dertiende juni — dat Benjamin naar huis is gegaan.
Twee maanden.
Dat is lang genoeg om te merken dat de wereld buiten gewoon doordraait, dat de auto's door de straat blijven rijden, dat de winkels open blijven, terwijl binnen in de huiskamer de tijd op een heel andere manier stilstaat.
Twee maanden is de tijd waarin het eerste shockgevoel langzaam plaatsmaakt voor de rauwe, dagelijkse werkelijkheid van een lege plek aan tafel.
Zijn schoenen die niet meer bij de deur staan.
Zijn stem die niet meer door de gang klinkt.
De stilte in de kamer waar hij zat te werken aan zijn computer, te broeden op rekenraadsels, te dromen over de luchtvaart en over de wereld.
Als mens zoek je in die stilte naar houvast.
Je zoekt naar antwoorden op vragen die eigenlijk geen menselijke antwoorden hebben.
Soms, in het holst van de nacht, als de slaap niet wil komen, kan een mens overvallen worden door gedachten die te zwaar zijn om te dragen.
Gedachten van zelftwijfel.
Hadden we iets eerder moeten zien?
Hadden we nog één doktersbezoek extra moeten maken?
Hadden we iets anders moeten doen?
Lieve mensen, luister naar de stem van het Evangelie, luister naar de Goede Herder die ons leert hoe God naar ons kijkt.
Denk aan wat Jezus zei toen de leerlingen hem vroegen wie er gezondigd had dat een man blind geboren was: 'Noch hij, noch zijn ouders.'
Ziekte is nooit, nooit een straf van God.
Het is nooit de schuld van de ouders die dag en nacht met zoveel liefde over hun kind hebben gewaakt.
Het is geen verzuim, geen fout, niets wat u had kunnen voorkomen.
Sommige kruisen komen op onze weg buiten elke menselijke controle om, niet omdat God toornt, maar omdat deze wereld nog onderworpen is aan de breekbaarheid van de schepping.
Leg die zware steen van zelftwijfel af bij het kruis van Christus.
U hebt niets gemist.
Uw liefde voor Benjamin was volkomen, uw zorg was intens en liefdevol tot de allerlaatste seconde.
God ziet uw gewonde hart niet met een beschuldigende vinger, maar met de diepste mededogen.
U bent vrij gesproken van elke schuld; u mag gewoon rouwen, gewoon missen, zonder die verpletterende last op uw schouders.
En kijk nu naar wat de Kerk ons vandaag voorhoudt op de kalender.
Vandaag vieren we de gedachtenis van de Heilige Maagd Maria, Koningin.
Een Koningin.
Als we aan een koningin denken, zien we in onze menselijke verbeelding vaak een gouden troon voor ons, een diamanten kroon, macht, buigende onderdanen en protocollair vertoon.
Maar luister naar wat Jezus in het Evangelie van Matteüs zegt over de leiders van zijn tijd.
Hij spreekt over de schriftgeleerden en de Farizeeën.
'Ze nemen plaats op de stoel van Mozes,' zegt Jezus.
'Ze leggen zware lasten op de schouders van de mensen, maar zelf steken ze geen vinger uit om die te verlichten.
Alles wat ze doen, doen ze om door de mensen gezien te worden.
Ze maken hun gebedsriemen breed en hun kwastjes lang.
Ze houden van de ereplaatsen bij feestmaaltijden en de voorste banken in de synagogen.'
En dan keert Jezus de hele wereldorde om.
Hij kijkt zijn leerlingen aan — en Hij kijkt ons vandaag aan — en zegt:
'Laat u geen meester noemen. Laat u geen vader noemen. Gij bent allen broeders.
De grootste onder u moet uw dienaar zijn.
Wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verheven worden.'
Dat is de koninklijke waardigheid van het Koninkrijk van God!
Gods koningschap meet zich niet in fysieke macht of hoogmoed, maar in de diepte van de nederigheid.
En niemand heeft die weg van nederigheid zo volkomen gegaan als de Maagd Maria van Nazaret.
Zij bouwde geen paleizen.
Zij eiste geen ereplaatsen op.
Zij zat niet op een hoge stoel te kijken hoe anderen zware lasten droegen.
Zij was het eenvoudige meisje uit Nazaret dat sprak: 'Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.'
Zij stond onder het kruis van haar eigen Zoon, stil, gebroken van verdriet, zonder bitterheid, met een hart dat open bleef voor de liefde.
En juist omdat zij zichzelf zo klein maakte, heeft God haar verheven.
Haar kroon is geen goud dat vergaat, maar het pure licht van de verrijzenis.
Haar troon is geen marmeren zetel, maar een plaats dicht bij het hart van haar Zoon, waar zij als Moeder waakt over iedereen die lijdt.
En wat heeft dat alles te maken met onze lieve Benjamin Vo?
Als er iets was dat Benjamin kenmerkte, naast zijn indrukwekkende, scherpe verstand, dan was het wel zijn diepe, natuurlijke nederigheid en zijn zachte hart.
Ben was een jongen die niet hoefde op te scheppen over wat hij kon.
Hij zat op de basisschool al wiskunde van de middelbare school te maken alsof het kinderspel was.
Hij dook in ingewikkelde IT-systemen, codeerde zijn eigen programma's en sprak over de meest complexe technologieën alsof hij een volwassen ingenieur was.
Maar hij deed dat nooit om boven anderen te staan.
Hij zocht geen ereplaatsen, geen schouderklopjes van de marktpleinen.
Herinnert u zich hoe Benjamin kon praten over zijn dromen?
Als hij sprak over vliegtuigen, over de Boeing 737 die hij tot in het kleinste detail kende, dan straalden zijn ogen.
Hij kon urenlang met zijn vader bij het vliegveld staan — 'airport spotting' — simpelweg genietend van het wonder van een machine die de lucht in gaat.
En als hij dan met die ondeugende, ontwapenende glimlach vertelde over zijn plan om later een eigen luchtvaartmaatschappij op te richten — 'con chim airlines', de 'vogel-luchtvaartmaatschappij' — dan giechelde hij als het puurste kind dat er bestaat.
Er was geen spoortje van hoogmoed in hem.
Hij had een briljant hoofd, maar een nog veel groter, zachter hart.
Hij was een jongen die van nature begreep wat Jezus bedoelde met dienend zijn.
Toen zijn oom William een paar jaar geleden zwaar ziek werd, aarzelde de twaalf- of dertienjarige Ben geen seconde.
Hij ging naar zijn ouders toe en zei heel eenvoudig dat ze zijn hele spaarpot mochten hebben om zijn oom te helpen.
Hij hoefde die spaarpot uiteindelijk niet eens kapot te slaan; de zorg van de familie was geregeld.
Maar het ging niet om het geld.
Het ging om het gebaar van een jongen die zonder te twijfelen alles wat hij bezat wilde aanbieden om de pijn van een ander te verlichten.
Dat is het hart van een dienaar.
Dat is het hart dat Jezus verheft.
Als we vandaag de lezing van Ezechiël lezen over de Oostpoort die opengaat en het Huis dat vol wordt van de heerlijkheid van de Heer, dan mogen we met de ogen van het geloof zien waar Benjamin nu is.
Benjamin is niet opgesloten in het graf.
Benjamin is niet verdwenen in het niets.
Hij is door die Oostpoort getreden.
Hij is binnengeleid in het hemels heiligdom, waar de heerlijkheid van de Heer woont als het ruisen van machtige wateren.
Daar staat hij niet meer als iemand die beperkt wordt door ziekte of breekbaarheid.
Hij staat daar in de volle kracht van het eeuwige leven, in gezelschap van de Heilige Maagd Maria, zijn hemelse Koningin, en van de jonge Heilige Carlo Acutis — twee jonge zielen die met een puur hart en een grote liefde voor God en de wereld hun reis op aarde hebben volbracht.
Ik wil vandaag heel rechtstreeks spreken tot u, Alan en Thao.
Tot jou, lieve Ryan, de broer die zo'n onverwoestbare band met Ben deelt.
En tot de ooms, tantes, grootouders, vrienden en al Degenen die vandaag van dichtbij of van heel ver meebidden — misschien wel andere ouders die een kind hebben moeten afstaan, of gezinnen die gebukt gaan onder een zwaar kruis.
Ik weet hoe zwaar de weg is die u gaat.
Ik weet dat er momenten zijn dat de troost van woorden bijna te dun aanvoelt om de diepte van het gemis te dekken.
Maar denk aan de droom die Alan een tijdje geleden had.
Alan droomde over een zwaar auto-ongeluk dat hij zag gebeuren, een verwoeste auto, maar toen hij om zich heen keek, bleek zijn eigen gezin ongedeerd.
Ryan belde hem op in de droom en zei: 'Er is niets gebeurd, we zijn helemaal veilig.'
Dat is geen toevallige hersenspinsel in de nacht.
Dat is een genadevol teken dat God in uw hart plant.
Het betekent: hoe zwaar de stormen van dit aardse leven ook kunnen zijn, hoe verwoestend een ziekte ook lijkt toe te slaan op het lichaam van een vijftienjarige jongen — het wezenlijke van uw gezin, de ziel van Benjamin, de liefde die u verbindt, is volkomen veilig.
Niets van die liefde is verloren gegaan.
Geen enkel moment van zorg, geen enkele knuffel, geen enkele blik van verstandhouding bij het vliegveld is kwijt.
Het is geborgen in de palm van Gods hand.
Maria, de Koningin van de Hemel, is niet een koningin die ver weg op een gouden troon zit en vergeet wat menselijke pijn is.
Zij is de Moeder die weet hoe het voelt om een Zoon af te staan.
Zij kent de stilte van de zaterdag na Goede Vrijdag.
Zij staat naast u in de huiskamer.
Zij slaat haar koninklijke, moederlijke mantel om Alan, om Thao, om Ryan.
Zij neemt de tranen die u in het geheim schreit en legt ze neer voor de troon van haar Zoon Jezus.
En Ben?
Ben is niet ver weg.
Hij kijkt niet meer vanaf de grond naar de vliegtuigen die naar het oosten vliegen.
Hij bevindt zich in die hemelse ruimte die alle grenzen van tijd en afstand te boven gaat.
Hij waakt over zijn jongere broer Ryan.
Hij moedigt zijn ouders aan om door te gaan, om te blijven leven, te blijven liefhebben, te blijven zorgen voor elkaar.
Want dat is de mooiste manier om Benjamin te eren.
Niet door stil te blijven staan in de schaduw van het graf, maar door zijn zachte, dienende en gulle geest voort te laten leven in de wereld.
Wanneer u vandaag een daad van goedheid doet zonder dat iemand het ziet...
Wanneer u een luisterend oor biedt aan iemand die het moeilijk heeft...
Wanneer u, net als Ben met zijn spaarpot, bereid bent om uit te delen van wat u hebt aan wie gebrek lijdt...
Dan gaat er op die plek een kleine Oostpoort open.
Dan stroomt de heerlijkheid van de Heer een stukje verder onze wereld binnen.
Wat kunnen we vandaag concreet mee naar buiten nemen als we straks onze dag vervolgen?
Laten we vandaag één klein ding doen.
Als u vanavond naar buiten stapt, of morgenochtend de gordijnen opendoet en naar de hemel kijkt — kijk dan even naar het oosten.
Adem het licht van de nieuwe dag in.
Denk aan de Oostpoort van Ezechiël waar de heerlijkheid van God doorheen treedt.
En zeg in de stilte van uw hart een klein gebed voor Benjamin Vo.
Bedank God voor de vijftien jaren waarin Ben uw leven heeft verrijkt met zijn verstand, zijn lach en zijn zachte hart.
En vraag Onze Lieve Vrouw, de Koningin van de Vrede, om u de kracht te geven voor de volgende stap op uw weg.
De weg is zwaar, maar we gaan hem niet alleen.
Christus gaat voor ons uit.
Zijn Moeder ondersteunt ons.
En de liefde van Benjamin blijft om ons heen hangen als het stralende licht van de ochtendzon.
Amen.
For the intentions entrusted to Ben on our prayer wall:
At the Savior’s command and formed by divine teaching, we dare to say:
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren, en breng ons niet in beproeving, maar verlos ons van het kwade. Amen.
Moge de almachtige God u zegenen en bewaren in zijn vrede: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen. Laten we blijven leven in het licht van Christus.
✝ Zegen u almachtige God: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.